Méér gym… en propjes gooien in de klas!

Uit de praktijk - 18 april 2019 - Door Erno Mijland

Op veel basisscholen staat slechts één uurtje gymles per week op het programma. Meer beweging op een schooldag kan door er twee of drie uurtjes gym van te maken. Of moeten leerlingen ook bij andere lessen meer in beweging komen?

Het onderwerp duikt regelmatig op in de media. Bijvoorbeeld als de Tweede Kamer het agendeert. Of als er een nieuw onderzoek wordt gepresenteerd. Meestal wordt dan het beeld geschetst van kinderen die in hun vrije tijd alleen nog maar met beeldschermen bezig zijn, daarbij ongezonde houdingen aannemend. Maar het verhaal speelt zich ook af op onze scholen. Als je een gemiddelde school voor basis- of voortgezet onderwijs bezoekt zie je leerlingen veel en lang achter elkaar zitten. Als ze teveel bewegen, klinkt als snel een vermanend ‘zit stil’ of ‘ga nou eens zitten.’ 

Het nieuwe roken

Ondertussen weten we dat veel zitten ongezond is. Professor Erik Scherder zette die wetenschap op de kaart door te stellen: ‘zitten is het nieuwe roken’. En wie laat kinderen nu roken in de klas? Scherder en zijn collega-wetenschappers stellen dat bewegen niet alleen een gunstig effect heeft op de fysieke gesteldheid, maar ook op de mentale prestaties. Ofwel: meer bewegen leidt tot beter leren. Een slimme school roostert dan ook niet alleen een extra uurtje gym, maar laat leerlingen gedurende de hele schooldag regelmatig bewegen. Bijvoorbeeld door werkvormen toe te passen, waarbij de leerlingen moeten opstaan, lopen, springen…

Fit aan de CITO-toets

Op basisschool Caleidoscoop in Almere werken leerkrachten al enkele jaren met dit soort werkvormen. Els Zoete is leerkracht en regisseur van deze brede school, die in 2011 werd verkozen tot de sportiefste school van Nederland. ‘Die titel kregen we onder andere omdat we kinderen ook laten bewegen bij de zaakvakken en taal. Neem het ontleden: de leraar leest een zin voor. Zodra je de persoonsvorm hoort, ga je joggen op de plaats. Hoor je een zelfstandig naamwoord dan maak je een sprongetje. We werken ook met gekleurde hoepels. Een leerling springt naar aanleiding van een vraag van de leerkracht in de hoepel die een juist antwoord of juiste categorie vertegenwoordigt.

Voorafgaand aan de CITO-toets – een lange zit – laten we de kinderen matig intensieve oefeningen doen die specifiek ook de hersenen activeren, zoals ‘easy kneesy nosey’, bekend van Laurel en Hardy. We merken dat bewegen een positief effect heeft op de concentratie en motivatie bij de kinderen.’

Met propjes gooien

Volgens Zoete heeft het combineren van leren met een fysieke ervaring ook het voordeel dat kinderen de stof beter begrijpen en de kennis langer vasthouden. ‘Neem het staafdiagram. Je kunt dat in een boek of op het digitale schoolbord laten zien. Maar je kunt ook bij twaalf rijen stoeptegels op het schoolplein de maanden schrijven. Ieder kind gaat op een tegel van zijn of haar geboortemaand staan in de juiste rij. Vervolgens maak je vanaf het dak van de school een foto van de fysiek door de leerlingen gevormde staafdiagram. Dat vergeten ze niet zo snel.

In het klaslokaal zelf is de ruimte beperkt. Maar er zijn genoeg mogelijkheden om kinderen te laten bewegen. Laat ze hun antwoord op een vraag opschrijven en een propje maken van het papier. De propjes moeten vervolgens op het bureau van de leerkracht terecht komen.

Met ons team wisselen we ervaringen en ideeën uit om zo samen het palet aan werkvormen uit te breiden. Doel is dat leerlingen minimaal een uur per schooldag in beweging zijn.’

Wordt het geen chaos met al dat bewegen? ‘Dat is een risico. Je moet daarom extra gestructureerd werken en vooraf hele duidelijke afspraken maken.’

Running dictation

Hoe zit het in het voortgezet onderwijs? We vragen het Adriënne de Kock, docente Engels en coördinator onderbouw van de Effent Mavo in Oosterhout. ‘Zeker in het voortgezet onderwijs zitten kinderen erg veel stil. Ik zie dat ze daar suf van worden. Iedereen weet het: als je even loopt, even beweegt, krijg je nieuwe energie.

Bij mijn vak moeten de leerlingen van die standaard zinnetjes stampen. Heel vervelend, saai en moeilijk. Ik denk dan: zou je dat niet leuker kunnen maken? Toen stuitte ik op het internet op de werkvorm “running dictation”. Ik maak strookjes met zinnen en leg die her en der in het lokaal. De leerlingen vormen teams van runners en writers. De runners rennen naar een strookje, onthouden de zin die erop staat en dicteren die aan de writers. Het team dat alle zinnen als eerste correct heeft opgeschreven is de winnaar. Ze vinden het geweldig om te doen. Bovendien zijn ze heel intensief met die zinnen bezig. Ze geven zelf aan dat ze ze op deze manier beter onthouden.

Ik wil graag meer van dit soort werkvormen gaan toepassen. Het hoeft allemaal niet groot en ingewikkeld te zijn. Petje op, petje af is al actiever dan alleen maar stilzitten. Als het maar past in de beperkte ruimte die een klaslokaal biedt.’

Embodied cognition

Wat precies het effect is van bewegen op leren, is nog moeilijk te zeggen. Maar de belangstelling vanuit de wetenschap voor de relatie tussen bewegen en leren lijkt te groeien. Een van de gebieden die momenteel in de belangstelling staan is ‘embodied cognition’, ofwel het idee dat veel van de kennis waarover we beschikken is opgeslagen in het lichaam én het brein. Vanuit dit idee komt bijvoorbeeld onderzoek voort dat ingaat op het verschil tussen het verwerken en onthouden van handgeschreven teksten versus teksten die via een toetsenbord worden ingevoerd. Aanleiding: de opkomst van de tabletscholen, ofwel zorgen om de effecten van technologie op de ontwikkeling van kinderen.

Diezelfde technologie wordt overigens ook ingezet, juist om bewegen en leren te combineren. Bijvoorbeeld in de vorm van games als een dansmat met rekenopdrachten of de Nebula. Deze interactieve spelmuur laat kinderen bewegen door educatieve inhoud op een motiverende manier te verpakken. Zo moeten ze bij een taalspel lichtgevende letters van woorden in de juiste volgorde aan een waslijn hangen. Is de inzet van dit soort ‘beweeggames’ nog een stap te ver? Met een eenvoudig ‘hoofd, schouders, knie en teen’ houdt de bewegingsvriendelijke leraar iedere leerling bij de les.

* Dit artikel is een bewerking van een artikel van Erno Mijland uit 2014.