Kinderen leren dansen met robots

Uit de praktijk - 12 oktober 2015 - Door Erno Mijland

In het onderwijs bereiden we kinderen voor op hun toekomst. Daarin gaan slimme machines en robots een steeds prominentere rol spelen. Hoe kun je daar als school of als leerkracht op inspelen?

Computers schrijven al journalistieke verhalen en robots maken schilderijen als echte kunstenaars. En waarom zou je nog leren schrijven met de hand als een machine een perfect menselijk handschrift kan simuleren. We kunnen technologie zien als vervanging van alles wat wij liever niet doen: de vaat, de administratie, het gras maaien. We kunnen naar technologie kijken als bedreiging: hebben we nog wel echte gesprekken als onze aandacht wordt opgeslokt door onze mobieltjes? Een andere benadering is om te onderzoeken of we als mens in samenwerking met slimme machines tot vooruitgang kunnen komen. Dat laatste vind ik een boeiende uitdaging. Geïnspireerd door de titel en de inhoud van het rapport 'Dancing with robots' noem ik het 'dansen met robots'.

Tijdens twee workshops op de studiedag 'Op weg naar een vrijeschoolse mediapedagogiek' op 25 september in Leiden ging ik in dialoog met de deelnemers over vragen als:

  • Welke eigenschappen maken ons ook op de langere termijn uniek ten opzichte van robots?
  • Welke grote en kleinere menselijke doelen die we nu nog niet aankunnen, worden bereikbaar met nieuwe (robot)technologie?
  • Welke normen en waarden vragen in deze tijd extra aandacht in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen?
  • Wat zouden robots kunnen betekenen om het leren en ontwikkelen op een hoger plan te kunnen brengen?
  • Wat moeten we kinderen meegeven, zodat ze straks leidend kunnen zijn in de dans met robots?

In twee keer in een uurtje hebben we deze vragen natuurlijk niet kunnen beantwoorden. Wel kwam een aantal interessante gedachten naar aanleiding van deze vragen bovendrijven:

  • De reactie  'Moeten we dit willen?' op alle technologische ontwikkelingen die op ons afkomen, is niet constructief en niet realistisch. Wat bedacht wordt is er, en het gaat niet meer weg. We kunnen ons beter afvragen: 'Hóe zouden we het willen?'
  • Voordat je kinderen in een virtuele wereld laat, moeten ze de fysieke wereld ontdekt hebben. Het abstracte denken komt pas vanaf 4, 5, 6 jaar. Dat heb je nodig om de virtuele wereld te kunnen begrijpen. Start dus niet te vroeg met het virtuele! Andere uitspraak in dit kader: 'Laat ze pas sociale media gebruiken als ze al sociaal zijn.'
  • 'Maken' kan kinderen een onderzoekende, kritischer, niet louter consumerende houding bijbrengen met betrekking tot technologie. Door zelf te programmeren en technologische producten te maken begrijpen ze beter vanuit welke doelstellingen digitale producten worden gemaakt. Leerlingen zijn gebaat bij nieuwe speelomgevingen waarin maken met moderne technieken centraal staat.
  • Het thema 'regie' kwam vaak terug in het gesprek: hoe leren we kinderen hun vrijheid te bewaren en bewuste keuzes te maken uit alle mogelijkheden die technologie ons biedt? Te veel informatie, te veel keuzes... het kan belastend zijn voor je brein. Kritische vraag daarbij is: in hoeverre kun je kinderen meer zelfsturing bijbrengen die nodig is om met de overvloed aan informatie en mogelijkheden om te gaan?
  • Robots falen in filosoferen en metacognitie, mensen kunnen er erg goed in zijn. We moeten beter worden in waar we goed in zijn, als robots en slimme machines beter worden in waar zij goed in zijn. Het oefenen van typisch menselijke vaardigheden zou in het onderwijs meer de nadruk moeten krijgen.
  • Het gesprek over waarden en over verantwoordelijkheden moet nog explicieter aan bod komen. Het gaat allemaal over hoe je je als mens verhoudt tot de wereld om je heen. Dat is altijd zo geweest, maar anno nu is de wereld groter dan ooit en heeft technologie een cruciale rol in onze samenleving.

Welke gedachten roepen de vragen bij u op?